REDERIJK









Rederijkers houden zich bezig met taal en traditie; niet toevallig uit dat zich vaak in gedichten. Dit geldt ook voor de rederijkers te Breda. Voor andersoortige voortbrengsels van de kamerleden kunt u rechtsboven, onder Pagina`s, klikken op En verder..

woensdag 22 september 2021

Maandzang september 2021


Onder de schaduw van de bomen,

binnengekomen door de poort,

hervindt men hier het onderkomen

waarvan we slechts nog konden dromen.

Hoe ruw werd ons bestaan verstoord

toen micro-organismen als een zwerm

van duivelse details de Kamer

verbande naar het kille scherm.

Het zoomen werd de nieuwe norm,

voor ons niet de ultieme vorm.

Hoe sneu en karig was ons lot:

geen koffiekan, geen boetepot,

geen zachte klap van Dekens hamer,

geen zotteklap waar je om lacht.

Zijn rederijkers niet meer samen,

dan mist hun woordkunst zeggingskracht,

intenties blijven in het vage,

want woorden moet je laten schragen

door vriendschap, door de metgezellen.

Wat je elkaar ook wilt vertellen,

hoe waardevol ook, hoe verfijnd,

het komt pas waarlijk uit de verf

als de gezellen samenzijn,

Afwezigheid leidt tot versterven

van broederschap. Gezellig-heid

was voor de Kamer ten alle tijd

een voortreffelijke manier

voor het creëren van plezier.

Zolang niet hier te zijn geweest,

maakt deze zitting tot een feest.

En: ‘t is historie die herrijst,

de Kamer heeft een lang verleden,

dat ons bestaan nog steeds omlijst.

Van alles wat wij doen verwijst

naar wat de Broeders vroeger deden.

Zo heeft een zitting vele lagen,

zij het niet altijd manifest.

Dichtkunst, tafelpraat, kwinkslagen,

maar dat op een fundament

dat de tand des tijds doorstaat.

Wie deze oorsprong onderkent

heeft terdege in de gaten

dat pandemie noch CO2,

dat westers wel noch werelds wee,

dat niets op allerlei manieren

onze Kamer kan verstieren.

Resumerend stel ik vast:

hier is alles pais en vree.

Denkt nu echter niet: dat was ‘t,

want het mooiste, dat komt nu.

Hoort: onder de paraplu

van ons aller Vreugdendal,

voorspel ik dat in elk geval

het oude Turfschip spetteren zal.

Na lange tijden van gemis,

gemor, weemoedig smieren,

na zó lang niet te zijn geweest,

is deze zitting dubbel feest.

Vreugde in allerlei manieren!

 

    factor Herman

maandag 5 april 2021

Bij een foto van dame met hoed

 

Ik heb jou eens ontmoet in 19 zeven                                                Annie Schmidt

Of 1910 zo ongeveer,

In elk geval was ’t  in een vorig leven

En aan je ogen herkende ik je weer

 

Je was toen jong, een meisje nog, een tiener

Of  was je al in London als au pair

Ik ben geen paragnost en ook geen ziener

Dus jou karakter lezen is niet fair.

 

Maar toch, Den Haag, je tikt er tegen                                              Achterberg                      

En ’t zingt.  Een fotograaf van naam

heeft jou geportretteerd, verlegen,

Een man tikte  nieuwsgierig tegen het raam.

 

Mijn vader? Nee, zo  aarzelend, zo jong

Voerde hij jou niet met zich mee

Naar Indië, het donkere land waar slechts een gong

De stilte brak, dat onbegrepen oord ver over zee.

 

Je was gezeten op een stoel, je ouders

Dachten: de kou zal haar niet deren

Je handen in een mof, een stola om je schouders

Je  droeg een breedgerande hoed met veren.

 

Alles is veel voor wie niet veel verwacht                                             Bloem

Het leven houdt zijn wonderen verborgen

Voor mij. Wie had dit ooit gedacht:

Een beeld gevonden op een vroege morgen

 

 Een dame, als een bloem voor d’uchtend van haar douw ontdaan,      Kloos

vol droevenis, vol verbazing, toen ze zei:

Je bent weer stout geweest. Maar kijk me aan.

‘k Vergeef je. Word een man. Je bent toch vrij?

 

We leven ’t heerlijkst in ons verst verleden:                                          Du Perron

De rand van het domein van ons geheugen

Ik kan niet terug, terug naar het verleden

Waarin ik niet voor haar wou deugen

 

Dit leven zachtjes ken ik het

Ik loop steeds eruit                                                                                   Hans Lodeizen

Zoals een kind uit het strand gaat

vol zee stroomt in langzame statigheid

 

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen                                                   Slauerhoff

Nooit vond ik ergens anders onderdak.

Wil ze mij nu nog leren, nog postuum belonen

en krijg ik ulevellen in een bruine zak?

 

Een warm en onverwacht verdriet,                                                           Vasalis

Eerbied voor de gewoonste dingen,

Neiging om hardop mee te zingen,

En dan te huilen om dit lied

Ontstond in mijn verwend gemoed.

 

Zij ziet mij aan, klaar voor een grande tour,

en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.                                           Nijhoff

O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.

Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.

 

Marius

woensdag 26 februari 2020

Maandzang februari


De stad werd ooit beschermd door zware muren,
al heeft de wal niet steeds het schip gekeerd
en kreeg het stadsvolk vaak wat te verduren.
Zo gaat het steeds: ‘t gezag handelt verkeerd,
maar ‘t is het volk dat zoiets moet bezuren.
Het is nu meer iets voor de VVV:
een oude poort, een singel met verkeer,
dat groeide, met de stadsuitbreiding mee.

Ik denk dat ik me nu naar het centrum keer,
waar ik te voet de Havermarkt passeer.
Loop met me mee. De toren domineert
boven de steigers uit. De gevels dromen
misschien nog van passanten van weleer.
Voorbij de markt is er wat meer verkeer,
er wachten tafels tot bezoekers komen.
Wij lopen door. In ’t park ruisen de bomen.
De poort van het Begijnhof staat nog open.
Terwijl we langs de schemerhuisjes lopen,
komt om de hoek de oude zaal in zicht
waarin de rederijkers samenkomen
in ’t kader van traditie en gedicht,
al mag het voor de buitenstaander lijken
dat wij het liefst de hand naar ’t glaasje reiken.
En ook al gaat het buiten vreselijk te keer,
hierbinnen zijn wij zinnig in de weer
met wat er cultureel zoal komt kijken.
De muren van het hof zijn eeuwenoud;
al trekt de wind de pannen van de daken,
wij hoeven niet van ’t à propos te raken,
’t Begijnhof weet al eeuwen van geen wijken.
en Clio lijkt hier over ons te waken.
Straks komt Helena ook nog uit de kast.

Dat alles doet vanavond zeer ter zake,
want deze avond transformeert een gast,
die zich al snel onmisbaar wist te maken,
tot lid van onze rederijkerskring,
van onze Kamer Adriaen van Bergen.
Het liefst zou ik luidkeels een ode brengen,
’t Is dat ik niet zo vreselijk zuiver zing
en uw gehoor niet al te erg wil tergen,
maar anders zou ik graag een lied aanheffen,
ter meerder glorie der inauguratie.
Ook zonder zal ons nieuwe lid beseffen
wat deze maandzang eigenlijk wil zeggen:
wees welkom, Marius, bij ons! En laat-ie
nu snel beginnen met de installatie.


factor Herman 17-3-20



















.