raakt wat de taal aangaat niet snel verloren,
voelt zich in een refrein als in de pels een luis
en spreekt als het een beetje kan in metaforen.
De Kamer dient zich dan als bootje aan,
denk aan de Blauwe Schuit van Herman Pleij,
en aan een Turfschip danken wij de naam.
Zijn wij op dreef, we zetten alle zeilen bij,
en hoeveel jaren wij ook mogen tellen,
in zeker opzicht zijn wij varende gezellen.
Roeiend met de riemen die ons zijn gegeven,
varen we lustig over onze Brede Aa.
Stadsgenoten, achtergebleven,
kijken ons vol weemoed na.
“Zie, daar roeit een winnend team!”
Ritmisch plonst er riem na riem.
Op de horizon richt zich de steven,
daar ligt de toekomst, in het verschiet,
waarnaar de roeiers vurig streven,
al kijken zij, de riem hanterend,
naar het achterwaarts verdwijnende gebied.
Dat is ons lot: wij balanceren.
Toekomst gericht, de blik op het verleden,
daartussenin de boot als een verschuivend heden.
Dàt is de paradox waarvoor wij staan,
terwijl wij als gezellen tijd passeren,
met elkander in discussie gaan,
vernieuwing en traditie evenzeer waarderen,
blazoen en ook devies steeds respecterend,
zonder het ooit af te zullen leren
woordgetrouw gezellenvreugde te creëren
en keer op keer onszelf op taalkunst te trakteren.
Een diepgevoeld advies van factor dezes als besluit:
hef straks de pul op de behouden vaart van onze schuit!
factor Herman