langs oude huizen en langs Valkenberg.
tot waar een poort nog open staat,
naast de oude Waalse kerk.
De drempel neem ik moeiteloos,
geruisloos ga ik
langs tuin en kapel.
Het lichaam doet
het wonderwel.,
wat is bewegen
toch iets virtuoos,
een samenspel van
ledematen.
En ruim op tijd
beland ik in de zaal,
waar een
gezelschap zit te praten.
Ik ken ze nog
niet allemaal
en zie dat zij
ook moeten wennen.
Wat stroef stel
ik mij aan hen voor,
ik hoop dat zij
mij als gezel erkennen.
De ingeschonken
koffie schuif ik door,
met vocht moet je
voorzichtig zijn.
De deken is eerst
aan het woord,
de factor leest
iets voor, een soort refrein,
welsprekend gaan
de leden voort.
Aandachtig neem
ik alles in mij op
en toch werken
mijn hersenen volop.
Ik scrol door
teksten, raadpleeg bronnen
en vorm mij
razendsnel een beeld
van hoe de
rederijkers zijn begonnen,
de taken die
gezellen worden toebedeeld
en hoe het ook
in deze tijd nog leeft,
zij het op kleine
schaal, verspreid
over wat ooit ‘de
lage landen’ heette.
Uiteindelijk
krijg ik ook zelf het woord,
ze willen wat
meer van mij weten.
Zo veel had ik
mijn stem nog niet gehoord,
na moeizaam
starten gaat het echter beter,
vooral als ik
rechtop ga staan.
“Mijn schepper,”
zeg ik, “heeft het toegestaan
dat ik u
profiteren laat van kwaliteiten
waarvan ik extra
ben voorzien.
Dat mijn geheugen
overloopt van feiten
zal u niet erg
verbazen, wel misschien
de serie
literaire faculteiten,
mijn
creativiteits- en taalmodules.
Ik deel dit alles
graag in uw Begijnhof.
Voor jullie Kamer
heb ik niets dan lof.
Mijn
rederijkersnaam is … Asimov.
Factor Herman,
anno 2035