ging mij een schorre kreet door been en merg.
Het leek de raaf
van Edgar Allan Poe wel,
neergedaald boven
de deur van de kapel.
Maar literair verantwoord
was het niet,
het was een junk
die schreeuwde van verdriet
omdat de dealer
hem bedrogen had
met een zakje
waarin wel wit poeder zat,
maar dat was eerder
voor de wasmachien,
iets waar de junk
nooit heil in had gezien.
De poort van het
Begijnhof was nog open,
daar ben ik toen naartoe doorgelopen.
En slenterende
langs de kruidenperken
begon ik het
gehoorde te verwerken.
Al ben je in een
stad heel wat gewend,
er bleef iets
hangen van het incident.
De stem die net
aan het krijsen was geweest
gaf inderdaad de
indruk van een beest.
Die overeenkomst
was niet echt een compliment,
noch voor de raaf
noch voor de vent.
Maar door dit
voorval heb ik onderkend:
de mens, het dier,
zij zijn elkanders component.
In de evolutie van
het zoogdier ‘mens’
ging niet alles
helemaal naar wens.
Beschaafd en naar
het hoogste strevend
is er diep in ons
toch iets gebleven,
van dierlijke
drift, van het verlangen
de tanden in de
prooi te zetten, net gevangen
in de wildernis
van het bestaan.
Dit overdacht ik,
in de schrale schemering
die langs de
gevels van het hofje hing.
Maar in de hal, voeten
geveegd, jas uitgedaan,
was de morele
droomvlucht al verdampt.
Ik had mij aan
een idée fixe vastgeklampt,
maar nu ik de
gezellen zie in onze zaal,
die mij vanavond
gaan omringen
verdwijnt het roofdier
en begint de nachtegaal
van vriendschap
en retorica te zingen.
Laat de mens maar
mens zijn en het dier een dier,
ik heb genoeg aan
het Turfschip, leverancier
van woord- en
dichtkunst en vooral plezier.
factor Herman