zo zongen al de
troubadours:
de bermen
bloeien, struiken botten uit.
Een bloemrijk
dichter kan op deze toer
nog vele strofen
vullen met natuur
met vogels
zingend in het ochtenduur.
Voeg daarbij
jambe, dactylus of anapest,
en de dichter
voelt zich op zijn best.
De inhoud doet
daarbij gewoon de rest:
natuurbeleving
vult gemakkelijk kwatrijnen,
aan geur- en
kleurenmetaforen geen gebrek.
Maar red je het,
zo schrijvend, op den duur
met het
vervaardigen van een refrein?
Ik heb daar zo
mijn twijfels aan
en moet mij hier
nog even op bezinnen.
Laat mij maar
eerst met ander werk beginnen.
Natureingang is voor tevredenen of legen,
en in een bos kan
nu snel brand ontstaan.
Een beetje
dichter kan er niet meer tegen
- het zal de
slimme lezer niet ontgaan –
alleen maar over
bloesem te oreren.
In deze tijd van
AI- intelligentie
heeft een dichter
andere pretenties
en zal hij hoger
honing meer waarderen.
Waar de kranten
zoal vol van staan,
de social
media het dak uitgaan,
dat is voorgoed gefundenes
Fressen
om des dichters
dorst naar dicht te lessen.
Maar laat dit
dichterlijke vrijheid onverlet?
Met deze twijfel
eindigt het sonnet.
En rederijkersvormen
zijn ook fijn,
zo luidt de
laatste zin van dit refrein.
Factor Herman