ik hoor het in de Catharinastraat
- het hoogste lied, het overstemt verkeer
dat brommend langs de Singel gaat.
De werkdag eindigt en men haast zich voort
op door de auto overheerste wegen,
terwijl mijn rijwiel inhoudt bij de poort.
De oude deuren staan nog gastvrij open,
al houdt de drempel e-bikes liever tegen.
Nu stap ik af, hier kan ik beter lopen,
waar de tijd heeft stilgestaan,
en rustig langs de kleine huizen gaan,
denkend of het vandaag mag zijn,
nu ik mijn tijd loop te verdromen:
oog in oog te staan met een begijn.
Veel volk is echter niet te zien,
een enkeling, verdwaald misschien.
Een vreemde jongen spreekt me aan.
Bij de schouders steekt zijn mantel uit,
alsof er een begin van vleugels was.
Zijn stem heeft een hoog, ijl geluid
een klank geblazen als van glas.
“Weet u welke hof u heeft betreden?”
vraagt hij. Voor mij een open deur
maar liever stel ik deze vogel niet teleur
en ik verzin: “Wie weet de Hof van Eden.”
“Dat is,” zegt hij dan, “ oude meuk, meneer,
ik zou wat minder overdrijven.
U bent misschien nog van de oude leer,
maar zelfs van Onze Lieve Heer
mag u gerust op beide voeten blijven.
Dat neemt niet weg dat dit gewis
een heel bijzonder plekje is.
Geen aardse macht die hier de scepter zwaait,
geen sponsor die de kas leeg-graait,
geen die het gras voor onze voet wegmaait,
geen die de feiten redeloos verdraait.
Waar zielen duister worden als de nacht,heerst hier het licht dat rede bracht,
komt hier de geest waarlijk tot rust,
ontwaakt bewustzijn, eerst in slaap gesust,
verdoofd tot in vergetelheid,
nu het hier geestrijk wakker wordt gekust.
Deze plek nu, midden in de stad
bevat het beste wat Breda ooit heeft gehad.
In een zaaltje aan de achterkant,
is dikwijls iets bijzonders aan de hand.
Daar is men elke maand weer bij elkaar
voor hoger culturele waarde.
Ik zeg u nu, wees wijs, voorwaar,
dat is uw plek, u hoort echt daar!”
Ik sla de handen voor mijn ogen,
door deze woorden diep bewogen.
Weer kijk ik maar de vogel is gevlogen.
Ik vraag me af wie hij toch is geweest,
een Hermes, bode vanuit hoger sferen?
Wie weet zal het zich hier manifesteren,
blijkbaar in dat zaaltje achteraan,
waar woord en kunstzin samengaan:
het lichten van de creatieve geest,
sinds lang verbonden met Europa’s lot. [i]
Nog zweverig van die gedachten
zet ik nu traag mijn fiets op slot,
ga op een bankje zitten wachten.
factor Herman
[i] ‘zolang de europese wereld leeft (….) / ruist hier de bron, zweeft boven déze zee / het lichten van den creatieven geest.’ Marsman, Tempel en Kruis