De
wind huilt aan de randen van het continent.
Als
krakend ijs verschuift de wereldorde.
Als
dat wat was iets anders is geworden,
Ben
ik dan iemand die zichzelf nog kent?
Vanuit
het centrum loop ik door de poort.
De
eeuwen zijn hier trouw geconserveerd,
De
oude vensters in zichzelf gekeerd,
Door
handgranaat noch hacker ooit gestoord.
En
straks aan tafel schijnt het vredig licht
We
drinken thee, creƫren fraaie taal.
Portretten
van weleer sieren de zaal.
Op
vriendschap is 't gezelschap hier gericht.
Maar
de gordijnen zijn hier zelden dicht.
De
wijde wereld schemert door de ruiten.
Ons
denken sluit wat ver is nooit echt buiten,
Het
sluipt tussen de regels van 't gedicht
Zoals
het net nog knarste in mijn hoofd.
Ik
liep toen in de Catharinastraat,
Te
traag, ik was toch al wat laat
het
wereldnieuws sloeg mij wat uit het lood.
Nu
ben ik bijna in het oud vertrek
En
zie gezellen bij de tafel staan.
Ik
hang mijn jas op en we schuiven aan,
Er
klinken woorden van een nieuw gesprek:
Fris
water dat door oude bedding stroomt.
De
tijden van weleer zien we herleven,
Traditie
te vernieuwen is ons streven,
Een
vorm te vinden voor wat ieder droomt.
Factor
Herman